Veerkrachtige bejaarde

Veerkrachtige bejaarde
ACHTERGROND, door Ron Meerhof op 11 mei ’02, 00:00, bijgewerkt 20 januari ’09, 17:17

De status van De Kuip is te vergelijken met die van San Siro in Milaan en Nou Camp in Barcelona. Het stadion staat erbij alsof het gisteren is opgeleverd. Woensdag bood de accommodatie plaats aan de UEFA Cup-finale, morgen staat de eindstrijd om de KNVB-beker op het programma. De Kuip, Nederlands enige voetbaltempel.

Vier keer trilde De Kuip woensdag op zijn grondvesten. Na de doelpunten van Van Hooijdonk en Tomasson en toen Bosvelt de UEFA Cup in ontvangst nam. En alle keren doorstond het stadion de ‘aanslag’ glansrijk. Geen verrassing voor Willem ‘de voegspijker’ Heijboer. Hij was bij de openingswedstrijd op 27 maart 1937, Feijenoord – Beerschot. Het kaartje had hij gekregen van ‘Sparta Piet’. Die had op het laatste moment weinig vertrouwen in het ranke stalen frame en de vrijhangende tribunes van het splinternieuwe stadion.

Willem durfde wél. Ruim 65 jaar later constateert de oud-metselaar tevreden dat ‘Sparta Piet’ ongelijk had. Hij maakt een weids gebaar met zijn wandelstok richting Stadion Feijenoord. ‘Het staat er nog steeds.’

En hoe. Na de ingrijpende verbouwing in 1994, waarbij een overkapping als een omhulsel over het bestaande gebouw werd gezet, staat het stadion erbij alsof het gisteren is opgeleverd. Architecten kenschetsen het ontwerp van Brinkman en Van der Vlugt, ondanks de inmiddels pensioengerechtigde leeftijd, als tijdloos modern.

De internationale voetbalwereld denkt er hetzelfde over. De status van het stadion is te vergelijken met die van San Siro en Nou Camp. De wedstrijd van woensdag was de tiende Europese finale in De Kuip, Euro 2000 meegerekend.

Willem is de oudste van de ‘wijze mannen’ van Feyenoord. Een naam die Radio Rijnmond ze heeft gegeven. De zender gebruikt ze als een vast programma-onderdeel op trainingsdagen van Feyenoord. Een dankbaar onderwerp, betrouwbaar ook. De mannen zijn er altijd en ze hebben altijd tekst.

Willem kan maar met moeite zijn verhaal doen over de vroegste historie van De Kuip en Feyenoord. Om hem heen staan vijftien andere wijze mannen die samen zo’n duizend jaar voetbalhistorie belichamen en daar óók graag wat over kwijt willen.

Maar Willem heeft ontegenzeglijk de oudste rechten. Hij was al veteraan toen Puck van Heel, aanvoerder van Feyenoord en het Nederlands elftal, op 22 juli 1935 de eerste paal de grond insloeg. Hij zag Feyenoord voor het eerst voetballen in 1924, toen de club nog aan de Kromme Zandweg speelde.

Op Varkenoord, de huidige thuishaven van de club, kwam hij ook al wel. ‘Het was hier echt buiten’, zegt Willem. ‘Veel gras en een grote poel.’ In de poel ving hij vis. Het gras sneed hij voor de konijnen die zijn vader hield.

Willem was er niet vanaf het allereerste moment bij. Daarvoor moeten we teruggrijpen op de Koninklijke Nederlandse Oudheidkundige Bond. Die ontwaart de kiem van het ontstaan van Feyenoord in het begin van de vorige eeuw. Het bulletin uit 1970: ‘Jongelui trappen een balletje van wat oude couranten samengeperst en daaromheen gewikkeld een stevig stuk pakpapier (. . .) Slechts het touw dat men tot versteviging nodig had, werd dan gekocht, maar hiertoe werd nog beraadslaagd om den goedkoopsten winkel te ontdekken (. . .) Door zulk een groepje voetballende jongens dat op de Oranjeboomstraat voor de Wilhelminakerk speelde, wordt op 19 juli 1908 de voetbalclub Wilhelmina opgericht.’

Die beschrijving suggereert dat de jongens hun club naar de kerk noemden, of naar de toenmalige vorstin. ‘Welnee’, zegt Willem. ‘Ze kwamen altijd bij elkaar in het café van Keijzer. Daar stond een Wilhelmina-biljart.’

Hoe dan ook, de naam veranderde in Feijenoord en de opmars ging snel. Na verhuizingen naar het Afrikaanderplein en de Kromme Zandweg barstte die laatste locatie al sinds begin jaren twintig uit haar voegen. De capaciteit van 12 duizend toeschouwers bleek vaak onvoldoende. In 1931 kreeg toenmalig voorzitter Leen van Zandvliet zijn visioen van een stadion met vrij over elkaar heen hangende tribunes dat het ongehoorde aantal van 60 duizend toeschouwers, tweemaal dat van het Olympisch Stadion in 020, zou kunnen herbergen.

Een gedurfd plan, midden in de crisis. Waanzin, volgens velen. De gemeente wilde er geen cent in stoppen. Toch verrees het stadion in recordtijd.

Er schuilt een paradox in de wortels en het no nonsense imago van de arbeidersclub en de manier waarop het stadion tot stand kwam. Die had namelijk niet veel van doen met die spreekwoordelijke Rotterdamse nuchterheid en eenvoud. Dromers en rijkaards waren de drijvende krachten.

De grote geldschieter van het project was de puissant rijke havenbaron Van Beuningen. Maar op de achtergrond speelde nog een kleurrijker figuur mee: Van Nelle-firmant Kees van der Leeuw. In het onvolprezen, 752 pagina’s tellende jubileumboek Stadion Feijenoord, het origineel uit 1997, wordt aannemelijk gemaakt dat deze industrieel grote invloed had op de architecten Brinkman en Van der Vlugt.

De ideeën van Van der Leeuw, gestoeld op Oosterse esoterie en theosofie, zouden doorklinken in het ontwerp van het stadion. Dat zou volgens kenners bijvoorbeeld een sterke voorkeur tonen voor horizontale lijnen en natuurlijke lichtinval; zaken die tot de grondregels van de theosofische architectuur behoren.

Het is bijna ironisch dat juist het eindresultaat van dergelijke hooggestemde idealen prompt een typisch Rotterdamse grofstoffelijke bijnaam kreeg: De Kuip. ‘Ongeveer zoals een waterpomptang een waterpomptang heet en een tafel een tafel’, aldus voormalig stadiondirecteur Leo Wielaard.

Sparta Piet was de eerste noch de laatste die weinig vertrouwen had in de stevigheid van het zo rank ogende bouwwerk. Maar zwevers of niet, Brinkman en Van der Vlugt wisten wat ze deden.

Amerikaanse bouwers kozen, vooral door de gestaag zakkende prijzen, al langer voor staal in plaats van beton. Brinkman, de constructeur van het architectenduo, was er enthousiast over. Hij zag het als een uitdaging om tot het goedkoopst mogelijke ontwerp te komen.

Maandenlang maakte hij berekeningen – vooral met de lineaal en op grond van wat vuistregels. Het uiteindelijke ontwerp was zeer gecompliceerd en arbeidsintensief, maar sprong inderdaad verrassend spaarzaam om met de benodigde tonnen staal.

Ettelijke malen is gecontroleerd of de zucht om op staal te bezuinigen geen funeste gevolgen had voor de stevigheid. Alle keren slaagde De Kuip glansrijk.

In oktober 1936 al werden ruim duizend mariniers en werklozen de tribunes op gedirigeerd. Voor een kop koffie en een sigaar werden ze geacht op en neer te springen alsof hun favoriet zojuist de wereldbeker had gewonnen. De constructie gaf geen krimp. De toenmalige bouwinspectie, zeker in Rotterdam, associeerde stevigheid nog vooral met betonkolossen. De piekbelastingen moesten opnieuw, en nu tot achter de komma, worden berekend. Brinkmans ruwe berekeningen bleken exact te zijn geweest.

De meest recente twijfel over de constructie dateert van eind jaren zeventig, vertelt toenmalig stadiondirecteur Frits de Kimpe. De omroepster in die dagen was een zeer keurig, wat tuttig type dat zich jarenlang had beperkt tot het doorgeven van mededelingen. Op enig moment begon ze, ter verpozing, ook af en toe plaatjes te draaien. Een daarvan werd een doorslaand succes. Op de tonen van Zorba de Griek begon het publiek als één man een soort sirtaki te dansen.

‘Ik werd opeens overstelpt met telefoontjes’, zegt De Kimpe. ‘Op de maat van dat nummer hadden mensen de tweede ring op en neer voelen wiegen. Ze werden er bang van.’ De Kimpe schakelde het architectenbureau in. Dat concludeerde dat er inderdaad beweging in het stadion zat, tot enkele tientallen millimeters. Maar de beweging hoorde bij de constructie en was zelfs noodzakelijk. Het kon geen kwaad. ‘We besloten wel om dat liedje nooit meer te draaien.’

Voor veel Kuipgangers vielen een paar dingen op hun plaats. Jarenlang voelden ze een doelpunt van Feyenoord of Oranje in De Kuip als een sensatie die nergens mee te vergelijken was. Het plotselinge, trillende gevoel in de knieën als het stadion als één man opveert, was jarenlang toegeschreven aan de ongrijpbare magie van het stadion en de club. Maar het stadion bleek letterlijk te kunnen zinderen.

Ondanks de verzekeringen van de architecten werd rond 1980 TNO erbij gehaald om de soliditeit van het stadion nogmaals in kaart te brengen. Dat had nog een reden: vanaf 1978, te beginnen met Bob Dylan, gebruikte organisator Mojo het stadion voor grote popconcerten.

Sindsdien hebben de technici van TNO er een speciale vaardigheid bij: het herkennen van ‘dansbare nummers’ en ‘muziekstukken met een opvallende intensiteitsopbouw’. Want die kunnen problemen geven, vertelt operationeel stadionmanager P. Hagenbeek. Bij iedere generale repetitie in De Kuip zit een TNO’er naast de geluidsman, de video-mixer en in de regiekamer. Nauwkeurig registreert hij waar de nummers zitten die het stadion letterlijk in beweging kunnen brengen.

Bij het concert zelf wordt op die momenten extra opgelet. In vijf spanten zitten meters die de uitslag en de trillingen registreren. Worden die groter dan vier millimeter, dan krijgt de geluidsmixer opdracht het volume zes decibel terug te draaien. Meestal is dat niet nodig, zegt Hagenbeek. ‘We hebben het een paar keer gehad. Bij Michael Jackson bijvoorbeeld.’

De Kuip heeft een ongeschonden een respectabele leeftijd bereikt. Toch is in sommige kringen de scepsis die Sparta Piet al in 1937 tentoonspreidde, nooit verdwenen. Hedendaagse Sparta-fans weten nu zeker dat de levensduur van de stalen constructie vrijwel ten einde is. Velen wachten met smart tot het bouwsel van metaalmoeheid ineen zakt. Binnen een paar jaar zou het zover moeten zijn.

Willem denkt dat de Spartanen weer ongelijk hebben.

Eén ding weet hij zeker. ‘Ik word binnenkort 89. Ik voel me goed. Maar dat stadion gaat mij overleven.’

Share Button

Author: Rolph