
Het is winter, dus… afgelastingen. Het Eerste wist nog wel een paar wedstrijden te spelen, maar de lagere elftallen hadden ‘vier verloren zondagen‘. Met moeite werd V.U.C. uit Den Haag verslagen, terwijl de uitwedstrijd een makkelijke 1-4 was geweest. Mooi beschreven van het winnende doelpunt: “Pijl dikke Bertha’t de vierde in het net“. Zo omschrijf je dus “een kanonskogel op het doel” in een tijd waar nog ruime hands-on ervaring met kanonnen en kanonskogels was… Blauw-Wit werd in Amsterdam op een gelijk spel gehouden, wat een prestatie an sich was. De keeper, Dekker, was zijn schoenen vergeten en besloot dus maar terug huiswaarts te reizen. (Waarom hij geen schoenen leende is mij ook niet duidelijk). Met voorspeler Prins van het Tweede als geïmproviseerde (en totaal onervaren doelwacht) tussen de palen wordt het gelijkspel als winst gezien:
En als wij bedenken dat het doelverdedigen hem ten eenen male vreemd is, dan kunnen wij gerust zeggen dat hij gedaan heeft wat hij kon om ons elftal van een nederlaag te behoeden, wat echter niet wegneemt, dat de verdediging zich, met de wetenschap van een abnormaal verdedigd doel, teveel tot verdedigend spel heeft moeten bepalen, waardoor de aanval niet weinig verzwakt werd en daardoor ook niet tot scoren in staat was. Dat onder deze omstandigheden niet verloren werd, stemt tot tevredenheid.
In ieder geval staat het Eerste met 15 uit 11 nog net boven Stormvogels bovenaan, maar het programma voor de komende tijd is geducht dus het is zeker nog geen uitgemaakte zaak. Verder een lovend stuk over de Nederlandsche Voetbalbond die in 1929 40 jaar bestond, en het predicaat “Koninklijke” heeft verdiend. In de winter traint de atletiek hard, dus daar krijgen we verslag van. Er volgt een vreemd stukje over Rotterdam, klaarblijkelijk heeft er iets in de ‘Sportkroniek’ gestaan. Rotterdam is te ‘bevooroordeeld onaangenaam’? Geen idee… maar de oproep aan het einde is mooi:
Op dus, allen, die willen en kunnen medewerken om Rotterdam te brengen op het voetstuk dat haar toekomt. Moge dan Rotterdam worden uitgesproken tot een welluidendheid zonder weerga.
Verder uiteraard een terugblik op 1929, een en ander over de juniores, liederen en ingezonden brieven. Ene Sinjo heeft een vrij zuur stuk over ‘experimenteeren’, waarin bits wordt opgemerkt dat de Elftalcommissie haar best doet om gaten in het Eerste op te vullen, en dat dit de stemming in het elftal niet dient te drukken. Dan ineens anderhalve pagina van mijn favoriete schrijver uit deze periode, pseudoniem: LOOK OUT. Reist (mee?) naar uitwedstrijden, en geeft de meest geweldige reisverslagen, met prachtige inkijkjes in de gewoontes en de rare fratsen van de Eerste elftal spelers. Heerlijk! Daarna duiken we de nieuwjaarswensen en rijmpjes weer in, een terugblik op december (waarin nauwelijks gespeeld werd), en een mooi satirisch stuk van Dettingmeijer JR over de Commissie van Onderzoek van de R.V.B. Al en al een zeer leesbare maand.
